Ik staarde naar mijn computerscherm die dag, met een sigaret in mijn mond en een kopje gevuld met pruttelkoffie. Het was een bijzonder traag verlopende dag - afgezien van het feit dat ik werkelijk geen enkele opdracht binnen had gekregen, die hele maand niet. Het weer was druilerig en de wolken sleepten zich zo tergend langzaam voort dat ze er door leken te huilen. Treurig weer en dat werkte me een beetje op de zenuwen - om niet te zeggen de benauwdheid. Mijn goeie genade wat was het warm, de ventilator kon die hitte eigenlijk helemaal niet aan.
“Nou ja,” zei ik tegen mezelf in een poging om mijn hoofd weer wat op te helderen, “dan zelf maar weer op zoek, want met 5 dollar kom ik niet eens de dag door.” Ik begon de letters van mijn toetsenbord in te drukken en op het scherm verschenen dan de letters. Ik was eigenlijk best trots op het mooie systeem dat ik afgelopen maand had aangeschaft. Achteraf was dat misschien niet een heel erg verstandige zet. Uiteindelijk was ik dan nooit in de problemen gekomen.
Typemachines bestonden natuurlijk al veel langer, waar kwam anders de ochtendkrant vandaan? Maar wetenschappers en deskundigen hebben er nu een nieuw systeem aan gebouwd. Een soort beeldscherm dat vast zat aan een grote kast. Het kon dingen berekenen en je kon in het netwerk op zoek naar wat je ook maar wilde. Erg ingenieus, moet ik zeggen! Bij het aanschaffen van zo’n grote rekenmachine kon je kiezen voor een heel nieuw toetsenbord, van die platte dingen met platte toetsen, of een aanpassing aan je huidige typemachine. Noem me maar ouderwets, maar ik vind die moderne gevallen maar niks. Je merkt amper dat je iets indrukt! Dat hoort gewoon niet zo, vind ik. Nou ja, ik koos dus voor die tweede optie. Het was zo’n mooie, waarvan je de pootjes van de toetsen nog kon zien bewegen - zo één met van die ronde knoppen, met een klassiek lettertype bedrukt. Ik was nog maar net aan het zoeken op dat moderne, wereldwijde netwerk, totdat mijn telefoon herrie begon te maken. Ik liet een zucht van vermoeiing ontsnappen. Dat waren waarschijnlijk de jongens - die belden wel vaker rond 5 uur om te vragen of ik met ze mee zou gaan, naar de bar. Ik zal ze deze keer toch echt moeten afwijzen, dacht ik nog terwijl ik op nam.
“Hee, sorry dat ik op voorhand al begin, maar ik kan vanda-” “Bent u Dhr. Veender?” - De stem aan de andere kant van de lijn onderbrak me acuut, duidelijk en toch op een beleefde toon. Ik knikte en terwijl ik dat deed besefte ik dat ik nog geen antwoord had gegeven. Ik wilde net een volmondig ‘Dat ben ik’ antwoorden toen hij ook weer verder ging. “Ik heb mogelijk brood voor op uw lege plank.” Ik keek even verbaasd naar mijn computerscherm en vervolgens uit het raam, om toch maar even te controleren of er niemand stiekem naar mijn lege kamer staarde. Maar ik kon niets bespeuren en ik wilde een potentiële cliënt ook niet zomaar weg sturen, niet nu ik zo om geld verlegen lag. “Ik luister?”, vervolgde ik toen. Ik weet nog heel goed dat ik niet van plan was te veel over mijzelf te vertellen, want als deze man al wist dat ik niets te eten had deze maand, dan is het niet onwaarschijnlijk dat hij me al langer in de gaten hield. Misschien is dit gewoon de manier waarop detectives elkaar vinden, dacht ik tot mezelf in een poging om de enge gedachte van het bekeken worden maar van me af te schudden. (Hielp niet.)
“Het gaat op een misdadiger. Zijn naam is Edelfier Reden, althans, zo stelt hij zich voor. We kunnen niet met zekerheid stellen dat het ook werkelijk zijn echte naam is, maar ik stuur u nu de gegevens die we al wel hebben. Uiteraard, op voorwaarde dat u ook daadwerkelijk op ons voorstel wilt ingaan.”
Hij stopte met praten en leek daardoor op antwoord te wachten. Ik wist niet zo goed wat ik nu terug moest zeggen. De gedachte van een opdrachtgever die dingen over je te weten is gekomen zonder dat je hem daar ook zelf van hebt verteld is natuurlijk een beetje angstaanjagend, maar erg veel andere keus had ik ook niet. Als ik geen geld heb voor eten, dan heb ik zeker geen geld voor gas, water en elektra. Laat staan de huur! Toch besloot ik me harder op te stellen dan dat ik me uiteindelijk voelde, ik kon zo’n merkwaardige opdrachtgever gewoon niet laten merken dat ik volledig afhankelijk was geworden van deze opdracht. ‘t Zijn net haaien, dit soort types. Ze ruiken gewoon kansen, en ik kan haast wel met zekerheid stellen dat die kerel aan de andere kant van de lijn daar gretig misbruik van zou maken. Hij zou het in ieder geval kunnen.
“Ik weet het niet,” zo begon ik, “U weet wel dingen over mij, maar ik weet nog helemaal niets over u. Kunnen we niet beter bij het begin beginnen?” Ik had een lichte sternheid in mijn stem, alsof - en eigenlijk was dat ook zo - ik er niet van gediend was wel opgebeld te worden, maar niets over de persoon die belde te weten. Niets, niet eens een naam. “Ach, het spijt me. Ik werk met zo veel personeel onder me - ik moet daar echt meer aan denken. Ik ben Raine. Frederick Raine en vice-president van DataTransit.” Ik leek de man een beetje van zijn apropós te hebben, al was het onbedoeld, het was ook zeker wel verrassend. Deze persoon klonk zodanig beheerst dat het haast onwaarschijnlijk leek dat hij zich kon bekommeren om de gevoelens of gewoonten van een ander. “Als u zo vriendelijk zou willen zijn om uw bank-saldo te controleren, dan vertel ik u dat daar een voorschot bovenop komt, voor enigerlei onkosten, en ruim het driedubbele als beloning voor het voltooien van de zaak.
Ik drukte op een paar toetsen van mijn typemachine en de andere helft van diezelfde machine begon iets af te drukken. Die kon je namelijk laten inlijven als printer en dat leek me ook wel handig.
$ 58.000,— stond er aan de rechterkant van het papiertje dat uit de roller flapte. Ik stond me nog helemaal te verbazen! Hier kon een gezin van vier personen nog 2 jaar van leven! En dan waren ze niet eens heel erg arm! Het driedubbele, honderd.. vijf.. zeven, “Honderd-vier-en-zeventig duizend dollar?!”, riep ik per ongeluk uit, puur uit verbazing van het enorme getal. “Daarbovenop wat u nu al op uw rekening heeft staan komt dat volgens mij op $ 232.000,” lachte de man aan de andere kant zachtjes. “Ik neem aan dat u de opdracht accepteert?” vervolgde hij. Hij wilde inmiddels zijn antwoord wel en ik vond ook dat ik hem wel lang genoeg aan het lijntje had gehouden. Per slot van rekening is geld gewoon geld en als je baas wat meer van jou af weet dan jij van je baas kan dat in principe geen kwaad, dacht ik. “Zolang hij je maar betaald, toch?”, zo praatte ik het merkwaardige aan dit hele verhaal een beetje goed voor mezelf.
Ik stak nog maar een peuk op, ik was nog niet eens aan het werk of ik had al genoeg geld om lekker te kunnen stappen, en zo veel ik maar wilde! Als ik klaar was met deze klus hoefde ik in principe helemaal niet meer te werken, of in ieder geval een hele tijd lang niet meer. Ik besloot het aanbod maar aan te nemen en dat vertelde ik hem. “Geweldig,” zei de man met een enigszins vrolijke toon. “Zeer aangenaam zaken met u te doen.” Mijn scherm lichtte plotseling op. Ik zag bestanden binnen komen en zichzelf meteen openen. “Dit is het profiel van die crimineel, Edelfier. Ik hoop dat u er iets aan heeft. Uw eerste doel in deze opdracht is deze man op te sporen. Dat klinkt veel eenvoudiger dan het is, u weet wellicht hoe groot ons bedrijf is, maar niemand binnen onze kringen is het nog gelukt. Via-via-via-via ben ik bij u terecht gekomen en mijn hoop rust dan ook in uw capabele handen.” Ik wist niet zo goed of ik me nou gevleid moest voelen of ‘een laatste optie’. “Ik zal hem vinden,” zei ik met een zelfverzekerdheid waar Julius Caesar nog jaloers op zou zijn. “Hoe kan ik jullie bereiken?” “Nee, dit bespreken we later. We laten u nog merken hoe u ons bereiken kunt, geen zorgen, het zal u helemaal helder zijn. Deze lijn is niet veilig, dus ik spreek u later weer.” Weer zoiets vreemds, hoe moest ik nou “-chik*tuu-tuu-tuu-”.
Opgehangen. Dan zat er niets anders op om maar zo snel mogelijk die Edelfier kerel op te sporen. Dit verhaal zou nog een staartje krijgen, dat wist ik toen al. En dat kreeg het ook.
Hoe het ook zij, ik had toen eerst eten nodig. Ik zat al de hele ochtend en de dag ervoor op een houtje te bijten, al peinzend over hoe ik in vredesnaam de maand door moest komen, maar nu dat niet meer nodig was besloot ik als de sodewiedeweerga naar de supermarkt te hollen om er nog op tijd aan te komen, voor sluitingstijd. Als ik er nu even op terug blik dan is het eigenlijk ook wel grappig dat ik in de supermarkt juist háár tegen moest komen. Corinne Flatley. Haha, ze was nog even mooi als dat ze altijd al was geweest. Mooi, diep bruin haar - maar het betoverendste vond ik nog haar ogen. Die waren in principe grijs, maar ze hadden heel lichtelijk iets groenigs in zich. Erg mooi. We hadden allebei hetzelfde beroep, zij en ik. Partners waren we, althans zo begon het, want niet heel snel daarna liep alles op de klippen. We konden niet met of zonder elkaar, maar ik denk dat onze werkwijzen elkaar gewoon uitspeelden. Wij tweeën aan het werk, dat wilde gewoon niet lukken, dus scheidden onze wegen zich daar. Ik was destijds heel erg verliefd op ‘r - och, de halve straat wilde iets met haar beginnen - Maar Corri is gewoon niet zo’n blijvertje. Ze kan niet te lang op één plek blijven zitten, want dan wordt ze helemaal gek! In ieder geval:
In een wanhopige poging om toch nog op tijd in de supermarkt te zijn rende ik zo hard ik maar kon. Ik had nog maar 10 minuten, min de 7 die het duurde om voor de supermarkt te staan, dus 3 minuten om boodschappen in te slaan en op rustige pas weer huiswaarts te gaan; maar wie stond daar af te rekenen aan de kassa - jawel, Corinne. Dus wat doe ik met m’n bolle hoofd? “Hé, Corri! Hierzo!”. Stom. Stom, want daardoor verloor ik kostbare seconden om toch snel nog wat eten in te kunnen slaan, maar het kwaad was al geschiedt. Ze keek op, zag me en zwaaide vrolijk terug. We konden dan misschien niet samen werken, maar daarbuiten zijn we gewoon even goeie vrienden gebleven en dat is natuurlijk wel zo plezierig. Ik was nu toch al te laat om nog wat dingen te halen, dus ik haalde maar een paar pakjes sigaretten aan de balie en een nieuwe aansteker. Die oude was op.
Nadat ze klaar was met afrekenen stapte ze met twee tassen vol boodschappen op me af en duwde mij ook één in m’n hand. “Hier, help me effe sjouwen.” zei ze, alsof we getrouwd waren. Ook zij bestelde een pakje sigaretten en we liepen samen naar buiten, richting vervoersmiddel. Eenmaal bij haar snelheidsduivel kon ik het niet nalaten om het overduidelijke te constateren. “Da’s toch mijn fiets?” “Ja.” Ze hing haar tassen op aan het oh zo roestige stuur. “Ah zo.”, mompelde ik stilletjes. “Krijg ik die nog terug?” “Nee.” zei ze met een grijns. Ik krabde even op mijn achterhoofd, daar had ik ook niet heel veel tegenin te brengen, leek het. “Dat dacht ik al…” Ze lachte, “Nee hoor, je mag ‘m best terug, als je eerst maar wel even wat bij me komt drinken.” Lachend klopte ik haar a-subtiel op de rug, “Daar doe ik ‘t voor!”. Ze moest er haast van proesten.
Na een tijdje gelopen te hebben, hoewel zij in een slakkengang fietste en ik ernaast liep, en een paar straten hadden doorkruist kwamen we bij haar appartement aan. Hoeveel haar kamer op die van mij leek was haast lachwekkend. Ja, als we tijdens het werk maar met elkaar op konden schieten, dan was ‘ons’ een lang en gelukkig leven beschoren. Terwijl ik de boodschappen naar binnen bracht trok Corri haar jas alvast uit en hing het aan een plank met spijkers, enige tijd geleden omgedoopt tot kapstok. Na het spul allemaal in de keuken te hebben gelegd kwam zij er ook bij en zette het water alvast op.
“Nog altijd 4?” “En melk, graag.” antwoorde ik. Ze opende daarna een van de keukenkastjes en haalde daar twee blikken uit. Het waren van die triplex deurtjes met van die ‘geweldige’ hout-print opdruk. Één voor de suiker en één voor de melk. Ze schepte twee theelepeltjes melkpoeder in mijn kopje en deed 4 klontjes in mijn kopje terwijl ze meteen haar oude ritueel weer op leek te pakken, van toen we nog samen werkten. “Je krijgt nog eens-” “…last van van alles, ja ik weet ‘t.” Een klein beetje vervelend, vond ze ‘t wel. Dat ik haar zin afmaakte was niet per se het ergste, meer dat ze haarzelf ook op haar oude ritueel betrapte. Ach, zo erg was het ook niet. “Ik heb een nieuwe cliënt.” De het water begon langzaam maar zeker op temperatuur te komen. Het zachtjes borrelen was een bekend geluid voor me, omdat ik het nooit heel erg breed heb gehad maakte ook ik koffie op dezelfde, economische manier. “Oh?” zei ik. “Jij ook al?” Ze knikte, “Ja, maar zo’n grote cliënt heb ik nog nooit gehad. Ik ben eigenlijk best wel een beetje nerveus.”
“Grote cliënt? Da’s wel erg toevallig. Wie waren het?”, vroeg ik verwonderd, omdat ik nog geen half uur geleden het gesprek met die rare vent had afgerond. Ze zuchtte, “Jij zou toch van iedereen wel moeten weten wat ik wel en niet mag zeggen als beroeps speurneus?” Ik rolde met mijn ogen, “Oh alsjeblieft, alsof ik je zou verlinken. Je kent me toch hoop ik wel beter dan dat?” Ze grinnikte. “DataTransit.” zei ze. “Dat meen je!” riep ik. Verwonderd keek ze op naar hoe ik mijn oren niet kon geloven. “Wat is er met Data-” “Edelfier?”, ik onderbrak haar zonder pardon. Een zelfde opdracht geven aan twee verschillende zelfstandigen klinkt als oplichting eerste klas. Haar gezicht vertrok waar die van mij dat al bij het woord DataTransit had gedaan.
Het was eventjes stil, geen van ons beiden wist precies waar we aan toe waren. We hadden blijkbaar allebei met dezelfde mysterieuze man gesproken en duidelijk dezelfde opdracht gekregen. Ze schonk de koffie maar in, we konden hier waarschijnlijk toch niks meer aan doen. Bovendien is het altijd zonde om een goed bakkie pruttelkoffie weg te moeten doen! We gingen in haar woonkamer zitten, ieder op een bank. Ik ritselde een sigaret uit de binnenzak van mijn colbert. Een beetje een verfomfaaide sigaret, maar dat maakt natuurlijk niet uit. Als ‘ie maar rookt. Het bleef nog eventjes stil, op het bij willekeur zacht geslurp van de hete koffie na, totdat Corinne de stilte besloot te onderbreken.
“Ik heb een idee!” riep ze uit. “Je zult ‘t op z’n minst grappig vinden!” Ik keek op, ze leek hier wel heel erg van overtuigd. Het zou niet de eerste keer zijn dat ze met een briljante ingeving kwam, dus ik was best nieuwsgierig. “Wat dan?” Ze grinnikte, “We maken er een wedstrijd van! De verliezer trakteerd de winnaar op een lekker avondje uit eten!” Verbaasd staarde ik haar een beetje aan. Ze zag aan mijn blik dat de tandwielen in mijn hoofd bleven steken op het ‘hoe kom je daar op’. “We zitten waarschijnlijk in de problemen, hoe je het wend of keert - dus moest de opdracht wel serieus zijn, dan kunnen we er in ieder geval een leuk einde aan brouwen, toch? Doe je mee?”
Ik stemde in. Ze had een punt, of we nu wel een onschuldig wedje sloten, of niet, opgeteld bij waar we onzelf in hadden gewerkt was het waarschijnlijk niets. “Weet jij al hoe je die mensen moet bereiken?” Ze schudden haar hoofd. “Het ruikt van alle kanten vreemd, maar om de één of andere reden kon ik het aanbod gewoon niet weerstaan.” “Ja, die Raine zei tegen mij ook dat hij nog wel liet merken hoe ik contact met die mensen kon opnemen.” Ze knikte en knipte het licht aan, want inmiddels begon de avond ook weer te vallen. “Ja, en dat ‘het wel duidelijk zou zijn’? Vage omschrijving, hoor.”
We praatten nog een hele tijd en verloren eigenlijk de tijd uit het oog, totdat het al bijna tien uur ’s avonds was en mijn maag klonk als een aardsverschuiving onder een kussen. Ze nam net op dat moment een slok van haar zoveelste bak koffie en had enorm veel moeite omdat binnen te houden, ze vond ‘t nogal amuzant. “Zo, heb je honger soms?” Ik zei dat ‘t wel meeviel, maar gelukkig kende ze me al langer dan vandaag. “Zullen we dan maar een hapje te eten maken?”, zei ze terwijl ze richting keuken liep. Ik glimlachte naar haar en besloot dan ook al snel om daar maar mee in te stemmen, aangezien ik zelf ook geen eten in huis had en inmiddels best gek werd van elke avond chinees.