"’s Nachts, rond een uur of elf komt mijn stad meestal voor een tweede keer op gang. Het is best groot, moet je weten, en zoals het verhaal over iedere grote stad de ronde doet: deze stad slaapt nooit.
Met zo’n stelling ben ik het eigenlijk helemaal niet eens en toch ook weer wel. Nee, de stad zelf, als commercieel centrum, slaapt inderdaad nooit. De mensen natuurlijk wel, die gaan netjes, of minder netjes hun kabine’s in - alleen dan wel op andere tijden. Het is even wennen als je hier net komt wonen, maar er zit wel een systeem in.
Maar goed, dan probeer ik te slapen en net om die tijd start de halve stad weer op. Ook niet heel erg geruisloos, kan ik wel stellen. Vannacht waren er weer een aantal achtervolgingen van de staatspolitie en een aantal mensen werden voor mijn raam gefouilleerd. Best grappig eigenlijk, hoe je aan dat soort beelden went na een tijdje. Ik stak nog maar een peukje op; dat mocht niet, maar ‘t is ook niet zo dat ik de enige was. De hele lobby stond blauw van de rook, en mijn kabine stond daar direct tegenaan - of ik nu rookte of niet, mijn kabine riekte er toch wel naar. Dan kan ik net zo goed een handje helpen."
Ik leunde achterover in de piepende leuning van mijn stoel en legde mijn pen naast mijn dagboek (lees: schrift). Iets veel beters zul je als student niet krijgen, ik was al lang al blij met mijn bureau! Die vond ik vorige week buiten staan, meteen maar even naar binnen gesjouwd. Fffff… Ik blies net mijn rook uit toen ik een beetje schrok van een tweetal mannen die nogal geïrriteerd liepen te tieren op iemand anders. Ik keek door het ronde raampje van mijn versleten deur, om te kijken of ik iets kon zien. Dat was trouwens amper nog een deur te noemen, het wiebelde al als je er tegenaan leunde.
Zoals ik al dacht te horen stonden er twee, duidelijk ziedende ‘heren’, een andere man te intimideren. Zijn bruin nepleren jas was vorig jaar al aan het einde van zijn levensduur en aan de houding van die twee individuën te zien hadden zij daar iets mee van doen. Ik luisterde aandachtig, met moeite iets proberend op te pikken van het gesprek. Ik dacht iets te horen over een vereffening - blijkbaar had deze man iets beloofd dat hij niet kon waarmaken - maar ik kreeg onderhand meer en meer de indruk dat hem deze belofte (als die er al was) was opgelegd.
Ik probeerde nog aandachtiger te luisteren - deze kabine’s waren best geluidsdicht - maar één van de twee mannen trok een zwaar wapen en besloot daarmee de wanden van de lobby met behulp van die arme man een nieuwe tint te geven. De knal was enorm en deed mijn hart even stilstaan, ik was doodsbang. Het angstzweet brak me uit en op dat moment draaide een van de mannen zich om. Snel ging ik naast mijn deur staan! Hij kon me niet gezien hebben, dat kón gewoon niet!
De net beklede voeten klonken harder, of was dat nu mijn verbeelding? Ik kan het echt niet met zekerheid stellen. De man leunde tegen mijn deur en keek naar binnen.
Een beklemmend gevoel omsloot mijn hart…
Oh, alsjeblieft! Zie me niet! Zie me toch niet!